Gestorven Christenen

door Mike Ratliff

19 Want wat is onze hoop of blijdschap of erekroon? Bent ook u dat niet voor het aangezicht van onze Heere Jezus Christus bij Zijn komst? 20 U bent immers onze heerlijkheid en blijdschap.
1 Thessalonicenzen 2:19-20 (HSV)

1 Thessalonicenzen 2:19-20 (NA28)
19 τίς γὰρ ἡμῶν ἐλπὶς ἢ χαρὰ ἢ στέφανος καυχήσεως — ἢ οὐχὶ καὶ ὑμεῖς — ἔμπροσθεν τοῦ κυρίου ἡμῶν Ἰησοῦ ἐν τῇ αὐτοῦ παρουσίᾳ;
20 ὑμεῖς γάρ ἐστε ἡ δόξα ἡμῶν καὶ ἡ χαρά.
1 Thessalonicenzen 2:19-20 (NA28)

Bij mijn bijbelse onderzoek om de beweringen van de universalisten (valse leer welke beweert dat (bijna) iedereen gered is) te weerleggen, heb ik ontdekt dat een groot deel van hun “leer” voortkomt uit een verkeerde omgang met de Heilige Schrift. In het bijzonder worden teksten verdraait die over de toestand van de gestorvenen in Christus gaan en over wie diegenen zijn die de Heer tegemoet gaan in de lucht zijn.
Een belangijk woord in onze tekst is παρουσία (parousia) wat vertaald kan worden als aanwezigheid, verschijnen, komen of komst.
In Paulus’ tijd en in de eeuwen erna stond het woord παρουσία en het bijbehorende Latijnse woord adventus synoniem voor de aankomst van de keizer of het officiële bezoek van een lid van de koninklijke of keizerlijke familie.
In dit artikel zullen wij kijken naar 1 Thessalonicenzen 4:13-18 en proberen wij Paulus’ uitspraak over de παρουσία van onze Heer te ontvouwen.

Wat wij nooit mogen vergeten, broeders, is dat het christendom enkel een andere religie is als wij de παρουσία van onze Heer negeren.
Dit woord is van vitaal belang voor onze leer. Zij is van vitaal belang voor de betekenis en het doel van het Evangelie.
Dit is de reden waarom elke vorm van christelijk liberalisme zowel de leer van de hel als de leer van de παρουσία van Christus aanvalt.
In de liberale kerken worden zowel de veroordeling en straf van de goddelozen als de vrijspraak en eeuwige zegeningen voor echte christenen ontkrachtigt en daarmee is het duidelijk welke kracht achter deze aanvallen schuilt. Hij; die Jezus definieerde als zowel een leugenaar als een moordenaar.
Laten wij daarom Gods Woord openen met de diepgang die nodig is om gevoed te worden, de waarheid te leren en bemoedigd te worden in de Heer.

13 Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben
1 Thessalonicenzen 4:13 (HSV)

13 Οὐ θέλομεν δὲ ὑμᾶς ἀγνοεῖν, ἀδελφοί, περὶ τῶν κοιμωμένων, ἵνα μὴ λυπῆσθε καθὼς καὶ οἱ λοιποὶ οἱ μὴ ἔχοντες ἐλπίδα.
1 Thessalonicenzen 4:13 (NA28)

13 Wij willen u niet onwetend laten zijn, broeders, betreffende hen die slapen, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de overigen die geen hoop hebben.
(1 Thessalonicenzen 4:13, vertaald vanuit de NA28 Griekse tekst naar het Nederlands)

Deze passage bevat tal van sleutelwoorden. De HSV vertaalt κοιμωμένων met “hen die ontslapen zijn”. Dit is het Griekse woord voor slaap of sluimering en wordt vaak gebruikt om te verwijzen naar hen die gestorven zijn. Echter, dit verwijst naar de lichamen van hen die gestorven zijn, niet naar hun zielen (zoals ook beschreven in de verzen 14, 15; 5:10; 1 Korintiërs 15:6, 18, 20, 51).
Paulus bemoedigt de gelovigen in Thessalonica om μὴ λυπῆσθε – niet bedroefd te zijn, in tegenstelling tot zij die nog in leven zijn en μὴ ἔχοντες ἐλπίδα – geen hoop hebben.
Met andere woorden, er zijn zij die hoop hebben en een andere groep die die hoop of belofte niet heeft. Paulus laat hen weten dat zij behoren tot hen die deze hoop wél hebben, en dat dit ook geldt voor hen uit hun gemeenschap die in Christus zijn en reeds gestorven zijn. Aan de andere kant bezit die andere groep deze hoop niet. Waarom? Omdat zij en hun geliefden die gestorven zijn, niet in Christus zijn. Zij bezitten deze verwachtende, zalige hoop niet die ware gelovigen wél hebben.
Zij, die niet in het boek des levens staan (Openbaringen 13:8, 20:15, Lukas 10:20) en niet gered zijn hebben alle reden om te treuren, omdat zij geen hoop hebben, geen aanspraak hebben op de vergeving van hun zonden en hun een veroordeling en de eeuwige wraak van God wacht. (Openbaringen 20:20)

14 Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem.
1 Thessalonicenzen 4:14 (HSV)

14 εἰ γὰρ πιστεύομεν ὅτι Ἰησοῦς ἀπέθανεν καὶ ἀνέστη, οὕτως καὶ ὁ θεὸς τοὺς κοιμηθέντας διὰ τοῦ Ἰησοῦ ἄξει σὺν αὐτῷ.
1 Thessalonicenzen 4:14 (NA28)

14 Want als wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal God ook hen die ontslapen zijn door Jezus heen, met Hem brengen.
(1 Thessalonicenzen 4:14, vertaald vanuit de NA28 Griekse tekst naar het Nederlands)

De opstanding van Christus – Ἰησοῦς ἀπέθανεν καὶ ἀνέστη, dat Jezus is gestorven en opgestaan – is niet alleen het centrale thema in het Evangelie, maar loopt als rode draad door de gehele bijbel omdat Jezus’ overwinning van de doodt het centrale onderdeel is van Gods plan met de mensheid.
Zij is de basis voor de hoop op de toekomstige opstanding van het lichaam (1 Korintiërs 15:42-57; Openbaring 21:4). Paulus spreekt hier opnieuw over hen die ontslapen zijn, τοὺς κοιμηθέντας – hen die geslapen hebben. Dit zijn de christenen die reeds gestorven zijn. Hun lichamen zijn begraven of gecremeerd, maar hun zielen zijn bij de Heer tot deze grote dag waarop onze Heer Jezus met hen zal terugkeren, op het moment door God bepaalt.
Ook hier verwijst het woord κοιμηθέντας in vers 14 naar het lichaam dat slaapt, niet naar de ziel.


15 Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan. 16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. 17 Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.
1 Thessalonicenzen 4:15-17 (HSV)

15 Τοῦτο γὰρ ὑμῖν λέγομεν ἐν λόγῳ κυρίου, ὅτι ἡμεῖς οἱ ζῶντες οἱ περιλειπόμενοι εἰς τὴν παρουσίαν τοῦ κυρίου οὐ μὴ φθάσωμεν τοὺς κοιμηθέντας·
16 ὅτι αὐτὸς ὁ κύριος ἐν κελεύσματι, ἐν φωνῇ ἀρχαγγέλου καὶ ἐν σάλπιγγι θεοῦ, καταβήσεται ἀπʼ οὐρανοῦ καὶ οἱ νεκροὶ ἐν Χριστῷ ἀναστήσονται πρῶτον,
17 ἔπειτα ἡμεῖς οἱ ζῶντες οἱ περιλειπόμενοι ἅμα σὺν αὐτοῖς ἁρπαγησόμεθα ἐν νεφέλαις εἰς ἀπάντησιν τοῦ κυρίου εἰς ἀέρα· καὶ οὕτως πάντοτε σὺν κυρίῳ ἐσόμεθα.
1 Thessalonicenzen 4:15-17 (NA28)

15 Want dit zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen voorgaan. 16 Want de Heer Zelf zal met een bevelende roep, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God, van de hemel neerdalen, en de doden in Christus zullen eerst opstaan. 17 Daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen worden weggevoerd in wolken, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd bij de Heer zijn.
(1 Thessalonicenzen 4:15-17, vertaald vanuit de NA28 Griekse tekst naar het Nederlands)

Deze drie verzen behandelen de toestand van hen die reeds in Christus gestorven zijn en wat er met hen zal gebeuren op deze glorierijke tijd, en de toestand van hen die overblijven – of nog in leven zijn – die in Christus zijn. Christus zal terugkeren met de zielen van die christenen die gestorven zijn, en zal samen met hen hen die nog in leven zijn en in Hem zijn, wegrukken uit de wereld. Hij zal hen samen met Zich verzamelen in de wolken. Dit is hun opstanding. Zij loopt parallel met de opstanding van de Heer.
Hij werd gekruisigd, is gestorven en Zijn lichaam werd begraven, maar Hij stond op uit de dood met Zijn verheerlijkte lichaam. Voor de gelovige zal dit eveneens het geval zijn. Zij die reeds gestorven zijn, zijn nu bij Hem, maar niet met hun verheerlijkte lichamen. Hij zal met hen terugkeren om hen te ontmoeten die in Hem zijn, maar die nog niet gestorven zijn – diegene die op dat moment leven. Zij allen zullen bijeengebracht worden om hun nieuwe lichamen te ontvangen, evenals Hij deed (1 Johannes 3:1-3; 2 Korintiërs 5:3).
De belofte οὕτως πάντοτε σὺν κυρίῳ ἐσόμεθα – “zo zullen wij altijd bij de Heer zijn” – is een geweldige belofte voor de gelovige, maar niet voor de ongelovige. Deze passage is alleen voor hen die in Christus zijn.

18 Zo dan, troost elkaar met deze woorden.
1 Thessalonicenzen 4:18 (HSV)

Amen.
Laten wij de kostbare, zalige hoop die allen in Christus hebben, niet verliezen.
Wij zijn niet van deze wereld, maar zijn eruit opgestaan in onze nieuwe geboorte in Christus. Wij blijven hier voor onze heiliging en om de Heer te gehoorzamen in de Grote Opdracht – namelijk om discipelen te maken uit alle volken.
Sommigen van ons onderwijzen en vormen discipelen. Anderen prediken het Evangelie. Anderen dienen daar waar God hen leidt.
Wij hebben allen een rol in het Lichaam van Christus. Deze zalige hoop is echter voor ons allen.

Soli Deo Gloria!